maandag 18 februari 2013

Er zijn van die mensen die

                                            
Er zijn van die mensen die bedrevener zijn in leven.
In en om hen heerst orde.
Voor alles hebben zij een manier en het juiste antwoord.
Zij raden onmiddellijk wie wie, wie met wie,
met welk doel en waarheen.
Stempelen unieke waarheden af,
gooien overbodige feiten in de versnipperaar.
en stoppen onbekende personen
in op voorhand voor hen bestemde ringbanden
Denken zoveel als de moeite waard is,
en geen ogenblik langer,
want achter dat ogenblik loert de twijfel.
En als ze uit hun bestaan worden ontslagen,
verlaten ze hun post
door de aangegeven deur.
Soms benijd ik hen
-gelukkig gaat dat ook weer over.
 
Wislawa Szymborska

donderdag 7 februari 2013

Winnende vertaling Gooise Poëzieprijs


Dode Musici

I

Van u uit, Beethoven, Bach en Mozart,

Ontvlamde de stof van mijn dromen.

U bouwde tempels in mijn hart,

Deed torenhoog verlangen komen.

U was het vuur en ’t lichtend pad

Van gedachten op weg naar gebeden.

U was de storm die woedde, het licht dat

Viel op verre riddersteden.

II

Grote namen, waar zijn jullie nou

In deze barre tijd van jeugd die streeft

Door doem heen naar vrede : ik draag in rouw

Een krans van bannelingen die zijn gesneefd.

Jullie hebben part noch deel aan jongens die vochten

En die aan mijn zijde leden en lachten.

De fuga’s en symfonieën die jullie wrochtten

brachten hen niet terug in mijn gedachten.

III

Want als mijn geest naar hen op zoek gaat,

Dan haal ik hen terug in de taal van de straat.

Met foxtrots verleid ik die schimmige heren.

“Nog zo een drankje zal ons niet deren”.

Ik denk aan ragtime, een vleugje ragtime;

En zie hun gezichten wervelen in ‟t rond

Op de klank van syncopische maten.

Ze hebben zoveel leuks te bepraten,

Thuis uit de hel met dank aan die handige wond…

En dan stopt het lied plots; en ik ben alleen.
 
Zij zijn dood … Geen grammofoon, in godsnaam, neen!

Hans Huismans - Blaricum

woensdag 30 januari 2013

O zoete onbereikbaarheid

O, zoete onbereikbaarheid

Als kind al bezat ik een zwak voor glinsterkwallen, keizerpinguïns: zwaar en ijl
maar zacht als paleizen stonden ze rechtop in water en ijs, als wachtkamers
op een uitkijk naar binnen – daarom wilde ik worden: koninginnen
eerst juliana, later de dame die full colour over haar heen kwam.
Deze, de mantelglanzende ging ik worden: beatrix leek haalbaar in die dagen
ik was vijf, deed mijn best haar geheim te kraken: ’s avonds stond ik in de tuin
sjieke liedjes te neuriën, overdag op de Dam wierp ik druiven naar landgenoten
ik struinde kermissen af, stalkte majorettes, tot ik tot mezelf kwam, opgaf.
Nu pas, vannacht – net nu ik groot, gelukkig en eenzaam was
nu stond zij daar, een schemer aan het hoofd van mijn dromende lichaam
en links van mij duikelde de zon en rechts begon zij rustig te stormen, oranje
daalde ze over me neer, met alle gloeitristesse die ze had, languit stamelend:
‘wij wilden een slagregen zijn voor onze geliefden, fluisterdauw uitspreiden
over de doden, de jaren alleen wilden wij breken met koele wintervuisten
groene duinen verflensen met zonlicht, kortom: wat mensen doen, wij wilden
kinderen, ouders, een man wilden wij, maar ze werden windstil rondom ons.’
Ze toonde mij hoe ze boog en het ging niet: ze werd heldere mist, kou minus hitte
knipte zich los – vannacht lig ik wakker, stuurloos als een wapperend lint.

Envoi:
u bent mooi majesteit, soeverein en mooi, nu het verdriet om u heen komt bloeien
u bent mijn eigen aangetaste moeder, diep in haar vermoedde ik uw ijs, uw water

Afgelopen maandag zijn veel tranen gelaten toen de koningin haar afscheid aankondigde. Ik keek er met verbazing naar. Maar toen gisteren De Dichter des Vaderlands in DWDD zijn gedicht voor DE Majesteit voordroeg, voelde ik een brok in mijn keel. Ik houd van mooie poëzie.

dinsdag 15 januari 2013



Het zwembad in

om daar mijn voeten

nat te maken

eruit om met die natte voeten

de tegels naast het zwembad

aan te raken

kijken hoe de tegeltenen

verdwijnen

in de zon.

Een foto die tevoorschijn komt

maar dan andersom.

In het bad

uit het bad

ik zong

een lied dat ik op school geleerd had.

‘Looft den heer want hij is goed’

en iets met goedertierenheid.

Tjitske Jansen



uit ‘Het moest maar eens gaan sneeuwen

zondag 2 december 2012

Ik droomde dat ik langzaam leefde

TIJD

Ik droomde, dat ik langzaam leefde
langzamer dan de oudste steen.
Het was verschrikkelijk: om mij heen
schoot alles op, schokte en beefde,
wat stil lijkt. ‘k Zag de drang waarmee
de bomen zich uit de aarde wrongen
terwijl ze hees en hortend zongen;
terwijl de jaargetijden vlogen
verkleurende als regenbogen…
Ik zag de tremor van de zee,
zijn zwellen en weer haastig slinken,
zoals een grote keel kan drinken.
En dag en nacht van korte duur,
vlammen en doven: flakkrend vuur.
De wanhoop en vanzelfsprekendheid
in de gebaren van de dingen
die anders star zijn, en hun dringen,
hun ademloze, wrede strijd…
Hoe kón ik dat niet eerder weten?
niet beter zien in vroeger tijd?
Hoe moet ik het weer ooit vergeten?

M. Vasalis, uit Parken en Woestijnen. Uitgeverij van Oorschot 1940

dinsdag 17 juli 2012

Rutger Kopland: De vraag wie ze is

De vraag wie ze is


Intussen huist ze al zo lang in mijn hoofd
en al zo bijna overal - maar wie ze is

een zinloze vraag, je zoekt in je herinneringen
naar iets onvoorstelbaars, ik weet het, maar
ook zinloze vragen vragen een antwoord

eigenlijk is ze nog steeds die jonge vrouw
die ik ooit toevallig ergens tegenkwam
- maar wie ze is - in mijn hoofd
vind ik haar niet terug

er zijn momenten dat ik ineens weer weet
dat de mens eenzaam is, ook ik

en dat ik naar haar kijk en denk: zij daar
dat is ze, zo zichtbaar, zo sterfelijk

dinsdag 10 juli 2012

Alles blijft - Gerrit Komrij


Alles blijft

Daar stond een muur die ik heb aangeraakt.
De muur werd afgebroken. Van het puin
werd verderop een fundament gemaakt.
Ik plantte een fruitboom in mijn oude tuin.

Die werd geasfalteerd. Vijf meter diep
Houdt zich een wortelstronk nog grommend koest.
Vijf eeuwen lang desnoods. De Spaanse griep
Landt ooit op Mars omdat ik heb gehoest.

Er was een vriend aan wie ik heb geschreven,
Een rots waar ik mijn naam in heb gekerfd.
Je bent een deel van alles bij je leven
En alles blijft bestaan wanneer je sterft.

Uit: Alle gedichten tot gisteren (1999)