donderdag 2 februari 2012

Wyslawa Szymborska is overleden

Wyslawa Szymborska, de Poolse dichteres die in 1996 de Nobelprijs voor literatuur kreeg, is vannacht in haar slaap overleden. Een vredige dood die haar zo gegund is. Wyslawa was de dichteres van het gewone woord en de gewone dingen. Voor de goede lezer lag er veel te genieten achter de woorden. Ze schrijft in de spreekstijl, alsof ze in haar huiskamer hardop tegen zichzelf praat. De taal die we dagelijks gebruiken is met zijn valkuilen en dubbelzinnigheden al wonderlijk genoeg.



Het leven op aarde is tamelijk goedkoop.
Voor dromen bijvoorbeeld betaal je hier geen cent.
Voor illusies – pas als je ze kwijt bent.
Voor het hebben van een lichaam – alleen met dat lichaam.

donderdag 26 januari 2012

Home no more home to me

Het gedicht Home no more home to me van Robert Louis Stevenson was de opgave voor het Gooise poëziefestival. Gisteren werd in De Engel de winnende vertaling bekend gemaakt. Voor deze vertaling en het interessante juryrapport kunt u terecht op de website van de bibliotheek.


Home no more home to me, whither must I wander?
Hunger my driver, I go where I must.
Cold blows the winter wind over hill and heather;
Thick drives the rain, and my roof is in the dust.
Loved of wise men was the shade of my roof-tree.
The true word of welcome was spoken in the door --
Dear days of old, with the faces in the firelight,
Kind folks of old, you come again no more.

Home was home then, my dear, full of kindly faces,
Home was home then, my dear, happy for the child.
Fire and the windows bright glittered on the moorland;
Song, tuneful song, built a palace in the wild.
Now, when day dawns on the brow of the moorland,
Lone stands the house, and the chimney-stone is cold.
Lone let it stand, now the friends are all departed,
The kind hearts, the true hearts, that loved the place of old.

Spring shall come, come again, calling up the moorfowl,
Spring shall bring the sun and rain, bring the bees and flowers;
Red shall the heather bloom over hill and valley,
Soft flow the stream through the even-flowing hours;
Fair the day shine as it shone on my childhood --
Fair shine the day on the house with open door;
Birds come and cry there and twitter in the chimney --
But I go for ever and come again no more.

Robert Louis Stevenson, 1893 (Gepubliceerd: 1895)

zondag 22 januari 2012

Klaagliedje

De taal van rouw moet ik nog leren
die taal beheersen, woorden als diep
verdriet te vermijden, die gelden
voor elk ander, voor ieder die niet
mij is, ik heb die woorden
vroeger vaak gehoord, drongen
niet door. Een nieuwe taal
met nieuwe woorden leren.
Barsten, craqueleren.
Zo gewend als ik was
in een eind aan ellende
te geloven. Maar deze droogte
is een droogte waar geen eind
aan komt. Dorheid als deze
kom je nooit meer te boven.
En dauw, eens lieflijk
glinsterend troostend
blikkert nu dreigend.
Miljarden kleine druppels
triomferen heel even
vóór ze verdwijnen.
De taal van rouw
stokt in mijn keel,
toch moet ik die nu leren
en tot de mije maken.

Judith Herzberg, Klaagliedjes (2011)

donderdag 22 september 2011

Ik dacht zo vaak dat Vrede kwam

Ik dacht zo vaak dat Vrede kwam
Waar Vrede verre bleef -
Als wie na Schipbreuk - meent dat hij
Land ziet - Midden op Zee

Zijn Strijd verflauwt - en hij bewijst
Slechts hopeloos als ik -
Hoeveel denkbeeldig Strand er is -
Dat voor de Haven ligt -

Emily Dickinson in vertaling

vrijdag 17 juni 2011

KIJKOor

KijkOor


Kun je houden zonder handen
liefde meten zonder maat
kun je houden zonder oordeel,
zonder voordeel,
onzelfzuchtig, zonder baat
kan ik in jouw huizen houden
zonder hypotheek?

Kun je in gedachten reizen
zonder ritme zonder tijd
kun je klok zijn zonder tikken,
zonder wijzer tijdloos leven
kun je zonder te bezitten geven
zijn er dagen zonder week

Wees kind met je ouders
lach maar
zing alleen in koor
zonder zorgen
op je schouders
droom maar met je ogen open
kijk maar met je oor

wouter stips mei 2011

woensdag 2 maart 2011

Vasalis biografie

Afgelopen zondag zat ze weer bij Wim Brands in Boeken. De biografie over Vasalis, waar ze zeven jaar aan heeft gewerkt, is verschenen. Maaike Meijer, de biografe, vertelde over haar zeven jaar met Vasalis. Ze heeft ervan genoten. Zeven jaar prachtige gedichten en onvergetelijke regels. Zeven jaar leven met een compromisloos mens dat voortdurend zoekt naar de juiste woorden om het wezenlijke uit te drukken.

Damespoëzie noemden de heren van haar tijd het. Vasalis reageerde superieur: mijn gedichten gaan over dood en leven, liefde en allerlei andere futiliteiten, had ze laten weten. Damespoëzie? Lees zelf maar!

De idioot in het bad

Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
Haast dravend en vaak hakend in de mat,
Lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
Gaat elke week de idioot naar 't bad.

De damp die van het warme water slaat
Maakt hem geruster : witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
Bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.

De zuster laat hem in het water glijden,
Hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
Hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
En om zijn mond gloort langzaam aan een groot verblijden.

Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
Zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
Zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
Komen als berkenstammen door het groen opdoemen.

Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
Hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
Hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
En hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.

En elke keer, dat hij uit 't bad gehaald wordt,
En stevig met een handdoek drooggewreven
En in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
Stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.

En elke week wordt hij opnieuw geboren
En wreed gescheiden van het veilig water-leven,
En elke week is hem het lot beschoren
Opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.

- - - - - - - - - - - - - - - - - - - - - -- - - - - - - - - - - - - - -
Uit: Parken en Woestijnen van M.Vasalis (1909-1998)

dinsdag 8 februari 2011

Honderddertig

Afsluitdijk

De bus rijdt als een kamer door de nacht
de weg is recht, de dijk is eindeloos
links ligt de zee, getemd maar rusteloos,
wij kijken uit, een kleine maan schijnt zacht.

Vòòr mij de jonge pas-geschoren nekken
van twee matrozen, die bedwongen gapen
en later, na een kort en lenig rekken
onschuldig op elkanders schouder slapen.

Dan zie ik plots, als waar 't een droom, in 't glas
ijl en doorzichtig aan de onze vastgeklonken
soms duidelijk als wij, dan weer in zee verdronken
de geest van deze bus; het gras
snijdt dwars door de matrozen heen.
Daar zie ik ook mezelf. Alleen
mijn hoofd deint boven het watervlak
beweegt de mond als sprak
het, een verbaasde zeemeermin.
Er is geen einde en geen begin
aan deze tocht, geen toekomst, geen verleden,
alleen dit wonderlijk gespleten lange heden.

M. Vasalis